Sinds de instroom in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in 2015 is gesloten, neemt de Wsw-populatie door pensionering en uitstroom verder af. De infrastructuur krimpt echter niet vanzelf in hetzelfde tempo mee. Gebouwen, werkplekken, machines, vervoer en personeel blijven nodig, terwijl een belangrijke bron van financiering geleidelijk wegvalt. Dat maakt de toekomst van het werkontwikkelbedrijf tot een strategische opgave voor gemeenten. Niet alleen financieel, maar ook maatschappelijk. Het gaat om inwoners die niet zelfstandig hun weg naar de arbeidsmarkt vinden. Om jongeren die vanuit het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs hun eerste stappen naar werk zetten. Om mensen die na langere tijd thuis weer werkritme opbouwen. En om inwoners voor wie een reguliere werkgever voorlopig nog een stap te ver is.
Van sociaal werkbedrijf naar ontwikkelinfrastructuur
De opgave gaat niet alleen over het werkontwikkelbedrijf, maar vooral over wat inwoners nodig hebben om te kunnen werken, zich te ontwikkelen en mee te doen. Waar sociale werkbedrijven oorspronkelijk waren gericht op het bieden van een beschermde werkplek, verschuift de nadruk steeds meer naar ontwikkeling, begeleiding en ondersteuning richting werk. Daarmee moeten andere keuzes worden gemaakt. Welke functies moet de sociale infrastructuur in de toekomst vervullen? Welke inwoners maken er gebruik van? Wat heeft iemand nodig om zich te ontwikkelen? En hoe organiseer en financier je dat?
Die vragen raken niet alleen Werk en Inkomen. Wie duurzaam aan het werk gaat, kan meer bestaanszekerheid ervaren en minder afhankelijk worden van andere vormen van ondersteuning. Werk draagt voor veel mensen ook bij aan structuur, sociale contacten en maatschappelijke participatie. Daarmee is de ontwikkeling van werkbedrijven ook nauw verbonden met onder meer Wmo, Jeugdwet, zorg en onderwijs.
Weinig aandacht in coalitieakkoorden
Uit een analyse blijkt dat de urgentie in veel coalitieakkoorden nog beperkt zichtbaar is. Dat betekent niet dat gemeenten niets doen. Wel valt op dat de toekomst van de sociale infrastructuur in veel coalitieakkoorden nog niet herkenbaar als strategische opgave is benoemd. Dat is opmerkelijk. Juist nu hebben gemeenten nog tijd en middelen om keuzes te maken over wat zij willen behouden en wat moet veranderen. Een transformatie kost jaren, maar de Wsw neemt ondertussen ieder jaar verder af.
In actie komen
Juist daarom is het verstandig om niet te wachten tot financiële tekorten gemeenten tot keuzes dwingen. Het Rijk heeft voor de periode 2025–2034 €289,7 miljoen aan tijdelijk impulsbudget beschikbaar gesteld om gemeenten te helpen hun infrastructuur toekomstbestendig te maken. Dat geld vervangt de wegvallende Wsw-financiering niet, maar biedt wel ruimte om vooruit te kijken en keuzes voor te bereiden.
Drie stappen voor gemeenten
De hele verandering hoeft niet vandaag geregeld te zijn. Maar niets doen betekent wel dat de speelruimte kleiner wordt.
Gemeenten die nog aan het begin staan, kunnen dit jaar bijvoorbeeld:
-
De financiële uitgangspositie in beeld brengen.
Wat betekent de afbouw van de Wsw de komende tien jaar voor geld, personeel, gebouwen en voorzieningen?
-
Een gedeeld beeld van de opgave ontwikkelen.
Wat hebben inwoners in de toekomst nodig en welke infrastructuur is daarvoor waardevol?
-
Toekomstscenario’s uitwerken.
Welke keuzes zijn mogelijk en wat betekenen die voor inwoners, personeel, vastgoed, samenwerking en financiën?
Het project Toekomstbestendige Sociale Infrastructuur (TSI) helpt gemeenten hierbij met verschillende hulpmiddelen, zoals strategische sessies, een zelfscan of een kennisbank boordevol achtergrondartikelen. Je kunt ook advies vragen aan een van onze adviseurs.